Gepersonaliseerd leren en de digitale leeromgeving (deel 1)

Een tweetal jaar geleden werd in het meest zuidelijke ROC van Nederland het strategisch meerjarenplan gepresenteerd, waarin gepersonaliseerd leren en een modern curriculum een speerpunt zijn. In het strategisch meerjarenplan werd ook beschreven dat ‘de teams aan zet’ zijn om hier ieder op eigen wijze invulling aan te geven. Dat dit grote consequenties heeft voor mijn vakgebied – leertechnologie in het onderwijs – was mij al direct duidelijk. Met name de inrichting van de digitale leer- en werkomgeving (DLWO) zou waarschijnlijk radicaal gaan veranderen ten opzichte van de inrichting van de applicaties die we momenteel beschikbaar hebben. Een tweetal vragen komen bij mij op:

  1. Hoe ziet gepersonaliseerd onderwijs er uit en welke functionaliteiten heb je nodig om dit leerproces te ondersteunen?
  2. Hoe draag je zorg dat de inrichting van de DLWO dermate flexibel is, zodat je alle verschillende vormen van gepersonaliseerd leren bij de verschillende opleidingsteams kunt faciliteren? Vanuit kosten- en beheersoogpunt wil je zo min mogelijk verschillende applicaties in je school halen, maar ze moeten wel in staat zijn om flexibel ingericht te kunnen worden.

Een extra complicerende factor was dat de verschillende opleidingsteams bij aanvang van het traject nog absoluut geen idee hebben hoe het gepersonaliseerd leren er in de toekomst uit zou komen te zien en dat dit traject bij verschillende opleidingen een groeitraject wordt. Permanente wijzigingen van de DLWO zullen dus waarschijnlijk gaan optreden. Dit vergt de nodige flexibiliteit, maar meer nog, een veel hogere handelingssnelheid van de afdeling ICT en Functioneel Beheer.

Flexibiliteit creëren

Hoe zorg je er voor dat alle verschillende vormen van gepersonaliseerd leren kunnen worden gefaciliteerd in de DLWO? Deze vraag is relatief eenvoudig te beantwoorden. Zorg er voor dat je de meest extreme vorm van gepersonaliseerd leren kunt ondersteunen. Dan lukt dat ook met vormen van gepersonaliseerd leren die een minder grote impact hebben op de organisatie rondom. De uitdaging ligt bij deze vraag niet zozeer bij wat je nodig hebt, maar meer in het kunnen leveren van capaciteit op het moment dat een opleidingsteam een deel van de DLWO wil gaan gebruiken. Als je dus goed nagedacht hebt over hetgeen de meest extreme vorm van gepersonaliseerd leren inhoudt en je de ondersteunende organisatie op orde hebt, hoeven de verschillende behoeftes van de opleidingsteams geen groot probleem meer te zijn.

Welke eisen stelt gepersonaliseerd leren aan de DLWO?

Deze vraag is een heel stuk complexer. Want wat is gepersonaliseerd leren nou eigenlijk? Hoe ziet dat er uit? Als je de literatuur nazoekt, zie je geen eenduidige definitie en worden er vele verschillende vormen van gepersonaliseerd leren beschreven. Maar als je deze verschillende vormen van gepersonaliseerd leren naast elkaar legt, zie je toch verschillende paralellen. De didactische- en pedagogische uitgangspunten van de ‘extreme’ vormen van gepersonaliseerd leren (Kunskapsskolan, Learning by design, Flipping the Classroom van Gerstein) verschillen weliswaar, maar er zijn paralellen te trekken in het leerproces. Feitelijk zitten in elke van de bovengenoemde vormen elementen van de PDCA-cyclus.

  1. Plannen: de student oriënteert zich op hetgeen hij gaat leren in de komende periode. Of dit nu bestaat uit het formuleren van leervragen of het activeren van voorkennis voor een leereenheid naar keuze en welke verantwoordelijkheid de docent en student hebben is voor de beschikbaarheid en de inrichting van de applicaties niet relevant. Om een planning te maken is een planningstool noodzakelijk waarin de student zijn leerproces kan plannen en de docent de planning kan inzien.
  2. Do: de student gaat aan de slag met leren. Dat kan in een klas, een vaste werkgroep, een wisselende werkgroep of individueel zijn. In ieder geval wordt het jaarklassensysteem doorbroken. Om verschillen tussen studenten mogelijk te maken moet er een splitsing zijn tussen het Content Management Systeem, de plek waar de opdrachten staan) en het Learning Management Systeem, de plaats waar het leren (inleveren, feedback, samenwerken) daadwerkelijk plaatsvind. Dit is noodzakelijk om de leeromgeving voor de student en docent overzichtelijk te houden.
  3. Check: Een heel belangrijk kenmerk van gepersonaliseerd leren is de korte feedbackcyclus. Studenten ontvangen voortdurend feedback op de voortgang van hun leerresultaten van verschillende personen. Hiervoor is een begeleidingsportfolio met verschillende mogelijkheden tot het ontvangen van verschillende vormen van feedback noodzakelijk.
  4. Act Assess: Hierbij gaat het om het aantonen van de behaalde resultaten. Hierbij doel ik niet zo zeer op de feedback die op de inhoud van het leren plaatsvind of het beoordelen, maar meer op het reflecteren op de procesmatige kant van het leren. Studenten (en ook docenten) moeten een overzicht hebben van de actuele stand van zaken. Waar staat iemand in zijn leerproces? Wat zijn de sterke en de onwikkelpunten? Het gaat hierbij meer om een functionaliteit welke het begeleidingsportfolio met de planningsfunctionaliteit verbindt. Dit kan zowel in het begeleidingsportfolio als in de planningstool zitten.

En nogmaals; met de tool ben je er niet. Het draait vooral om hoe deze gebruikt gaat worden door de docenten en studenten. Maar bovenstaande uitgangspunten geven het belang van de verschillende functionaliteiten aan die bij een vorm van gepersonaliseerd leren met een grote mate van flexibiliteit komen kijken. Bij het zoeken naar de juiste applicatie kunnen bovenstaande uitgangspunten dienen als richtlijn voor de beoordeling welke applicatie het meest geschikt is.

In een van de volgende artikelen zoem ik verder in op de eisen die gesteld worden aan de DLWO op basis van de verschillende vormen waar langs gepersonaliseerd kan worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.