Veranderingen leermiddelenbeleid

Tijdens de afgelopen saMBO-ICT Conferentie werd ingegaan op de technologische mogelijkheden om leermiddelen onafhankelijk van een distributeur aan te bieden aan studenten. Dit naar aanleiding van enkele wettelijke veranderingen die met ingang van schooljaar 2019-2020 ingaan. In dit artikel wordt niet ingegaan op de technologie, maar op de veranderingen in wetgeving op het gebied van het leermiddelenbeleid. Recentelijk hebben Kennisnet en saMBO-ICT de brochure “Juridisch kader onderwijsbenodigdheden mbo” uitgegeven die hier op ingaan. In dit bericht vind je een beknopte weergave met daarin de meest opvallende veranderingen op het gebied van de leermiddelen.

Op de eerste plaats bestaat er vanaf 2017 al de verplichting om de leermiddelenlijst in overleg met vertegenwoordigers van de studenten (bijv. studentenraad) vast te stellen. Deze verplichting blijft bestaan. Daarnaast zijn (en blijven) studenten vrij om hun leermiddelen te bestellen waar zij dat zelf willen. Hiervoor is de regelgeving, mede onder invloed van de AVG, aangescherpt. De leermiddelenlijst dient openbaar gepubliceerd te worden. Dit betekent dat publiceren van de enige leermiddelenlijst via een account bij een distributeur niet meer mag. De leermiddelenlijst moet dus ook openbaar beschikbaar zijn. Hierbij speelt de wetgeving rondom vroegtijdige aanmelding en plaatsingsrecht ook nog een rol. Studenten moeten vóór aanvang van hun aanmelding zicht hebben op de totale schoolkosten (inclusief leermiddelen). Daar deze inschrijfdatum op 1 april is gesteld, moeten studenten dus voor deze datum zicht hebben op de verwachte kosten. Zicht op de kosten van leermiddelen moeten dus rond deze datum bekend zijn. De praktijk laat zien dat leermiddelenlijsten pas later in het jaar gereed zijn en nog later worden gepubliceerd. Hoewel het niet gaat om een gespecificeerd overzicht, betekent dit dat er in een eerder stadium nagedacht moet zijn over leermiddelen die op de leermiddelenlijst geplaatst gaan worden.

Maar er verandert meer. Zo wordt er nu gesproken van onderwijsbenodigdheden. Dit zijn alle leermiddelen en aanverwante artikelen die nodig zijn om te kunnen voldoen aan de eisen van een opleiding.

Onderwijsbenodigdheden

Onder onderwijsbenodigdheden vallen de volgende zaken:

  1. (Digitale) leermiddelen, zoals boeken en licenties;
  2. Persoonlijke uitrusting, zoals etui, pennen, schrijfblok, agenda, etc.
  3. Persoonlijke gereedschappen, zoals koksmes, kappersscharen, etc.
  4. Persoonlijke kleding, zoals veiligheidskleding, sportkleding, etc.

(Digitale) leermiddelen: Scholen mogen van studenten verwachten dat zij de boeken en licenties voor software die nodig zijn voor het behalen van de competenties zelf aanschaffen. De kosten hiervoor zijn volledig voor rekening van de student. Het is niet meer toegestaan om kosten voor digitale toetsen en examens door te berekenen aan de studenten. Deze kosten moeten door de school betaald worden uit de lumpsum. School mag niet voorschrijven waar de studenten deze leermiddelen dient aan te schaffen. Uiteraard mogen scholen studenten wel wijzen waar betreffende leermiddelen te verkrijgen zijn.

Persoonlijke uitrusting: De kosten voor een persoonlijke uitrusting komen volledig voor rekening van de student.

Persoonlijke gereedschappen: Bij een aantal opleidingen zijn gereedschappen en verbruikersmaterialen tijdens de praktijkopleiding noodzakelijk. De wet is hierin krom. Scholen mogen deze kosten in rekening brengen, maar de student is niet verplicht om hiervoor te betalen of deze zelf aan te schaffen. Verder horen deze gereedschappen en materialen bij de basisuitrusting van de school. Feitelijk komt het er op neer dat school deze middelen dient aan te schaffen en ter beschikking te stellen aan studenten. School mag studenten wel adviseren dat het handig is om deze gereedschappen zelf aan te schaffen, omdat het bijvoorbeeld fijner is om een eigen kappersschaar te gebruiken. Hierbij mogen scholen alleen de specificaties benoemen en hen wijzen waar deze producten verkrijgbaar zijn.

Computers, laptops en tablets: Hierin is geen eenduidig antwoord mogelijk. Daar waar opleidingen gebruik maken van digitale leermethodes mag een laptop verplicht worden gesteld en zijn de kosten voor rekening van de student. Indien er geen digitale leermethode wordt gebruikt, maar ICT gebruikt wordt voor communicatie en inleveren van opdrachten mag de school verwachten dat de student de beschikking heeft over een device zonder dat deze hoeft te worden aangeschaft. Dit kan het lenen van een laptop zijn, gebruik maken van de computer van de buurman, etc. School mag de specificaties beschrijven waaraan het device moet voldoen, maar ook hier geldt dat de student vrij is om zelf te bepalen waar hij deze aanschaft. Een punt van discussie is als het device nodig is als gereedschap in het kader van een specifieke opleiding (bijv. ICT of Mediavormgeving). Hier geldt immers de verplichting dat school verantwoordelijk is om de studenten te voorzien van gereedschappen. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat school hierin dient te voorzien. Dit houdt niet in dat school studenten een laptop moet geven, maar er wel voor moet zorgen dat er computerlokalen beschikbaar zijn.

Persoonlijke kleding: School kan studenten verplichten om veiligheidskleding te dragen en mag hier functionele eisen aan stellen (bijv. een bepaalde certificering rondom brandveiligheid). Het is niet toegestaan om een bepaald merk voor te schrijven en het schoollogo verplicht te stellen. Scholen kunnen het logo van de school wel als functionele eis stellen, maar dienen de student de mogelijkheid te geven om deze zelf aan te (laten) brengen. Als het gaat om uniforme kleding (bijv. bij VeVa of de sportopleidingen) kan dit in overleg met de studentenraad wel verplicht worden gesteld.

Vrijwillige bijdrage

Onder de vrijwillige bijdragen vallen kopieerkaarten, excursies, introductieweken, diploma uitreikingen, etc. Deze kosten zijn, zoals de naam al zegt, vrijwillig. Scholen mogen studenten niet ‘vrijwillig’ laten verklaren dat zij deze kosten betalen in de Onderwijsovereenkomst of bij de inschrijving van de opleiding. Scholen riskeren hiermee een boetekorting die door de Inspectie van het Onderwijs kan worden opgelegd. Als een excursie in het kader van de opleiding functioneel is en onderdeel uitmaakt van het curriculum, mag een school de student niet de deelname weigeren als deze de vrijwillige bijdrage niet betaald. Uiteraard mag een school wel kosten in rekening brengen voor deze excursie op basis van vrijwilligheid. Gaat het om ‘een uitje’ of niet verplicht onderdeel van de opleiding, mag een opleiding de student die de vrijwillige bijdrage niet betaald uitsluiten van deelname.

Conclusie

Deze veranderingen komen over het algemeen ten goede aan de inzichtelijkheid van de kosten van de opleidingen en zullen voor een deel de kosten van een opleiding voor een student verminderen. Voor scholen hebben deze veranderingen nogal een impact op hun leermiddelenbeleid en zullen de nodige investeringen gaan vergen. Persoonlijk ben ik het meest bang dat het ten koste kan gaan van een deel van de kwaliteit van het onderwijs doordat scholen niet gaan investeren in genoeg en kwalitatief goede leermiddelen en dat zinvolle excursies verdwijnen uit het curriculum of facultatief worden aangeboden. Of je hiermee het MBO beter maakt, betwijfel ik. In mijn optiek vergroot het de kloof tussen arm en rijk. Liever had ik gezien dat er een verruiming kwam voor de toegankelijkheid van het onderwijs voor mensen met met een ‘kleine beurs’.

Uiteraard is het een goede zaak dat studenten niet verplicht worden om bij een door school geselecteerde leverancier hun leermiddelen aan te schaffen en dat scholen de kortingen die ze van de leveranciers krijgen niet meer in eigen zak mogen steken. Maar deze wettelijke verplichting gold al sinds 2017.

Meer informatie over dit onderwerp is te vinden via het Netwerk Leermiddelenbeleid en schoolkosten van saMBO-ICT.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.